Standpunt (Nederlandse) Medici

Maar ook die van anderen.

HIGH LIGHTS:

- De consensus onder medici is dat voeding het gedrag niet beïnvloed
- Velen, voornamelijk ouders, weten wel beter
- Het INCA onderzoek toont dit ook aan



Controverse Ritalingebruik 2012

Niet specifiek op voeding gericht, maar het geeft wel iets aan:

Dr. Batstra:
" Terughoudendheid met de diagnose ADHD kan kinderen waar mogelijk de boodschap besparen dat er iets mis met ze is. Laten we als volwassenen, als samenleving, ons best doen om zoveel mogelijk kinderen de vrijheid te geven om te zijn wie ze zijn.

Ik pleit ook voor terughoudendheid, om kinderen met ernstige problematiek kosteloos specialistische hulp te kunnen blijven bieden.

Tenslotte pleit ik voor terughoudendheid met de diagnose ADHD, omdat deze diagnose door de ruime toepassing haar geloofwaardigheid dreigt te verliezen. Iedereen kent inmiddels wel iemand met milde problematiek die de diagnose heeft gekregen, en men neemt ADHD steeds minder serieus. En dat doet juist de kinderen voor wie de diagnose bedoeld is ernstig tekort."


En een reactie van prof. Buitelaar:
"Wat mij stoort is dat nog steeds gesuggereerd wordt dat anderen zich storen aan ADHD'ers en dat daarom gepleit wordt voor meer tolerantie. Mijn ervaring is dat kinderen en volwassenen met ADHD zelf enorm kunnen lijden onder de klachten. En zelf graag behandeling willen. En daar overigens ook enorm van kunnen opknappen.
Verder wordt gesuggereerd dat de eerste stap in de behandeling altijd medicatie is, dat is niet zo, ouderbegeleiding en gedragstherapeutische interventies staan als eerste stap genoemd in de richtlijn voor behandeling van ADHD. "


Elburg en Douwes 2012
???


Het RIVM 2011 naar aanleiding van het INCA onderzoek over voeding en ADHD

Het RIVM stelt zich op het standpunt dat sluitend bewijs niet geleverd is.
Analyse INCA onderzoek:

logo RIVM

Conclusie RIVM:
De conclusie van de RIVM literatuurstudie 2009, die samengevat luidt
dat er op dit moment geen overtuigend bewijs is voor een rol van voeding in de behandeling van ADHD, hoeft niet te worden herzien naar aanleiding van de resultaten van de INCA-studie gepubliceerd in 2011


Weer Elburg en Douwes 2003

Naar aanleiding van het verkennend onderzoek: Gunstige invloed van een standaardeliminatiedieet op het gedrag van jonge kinderen met aandachtstekort-hyperactiviteitstoornis (ADHD), een verkennend onderzoek. Pelsser en Buitelaar (2002:2543-7), schrijven zij: "Het gunstige effect van een ‘few foods’-dieet op de symptomen van ADHD dat Pelsser en Buitelaar constateren, wordt ons inziens eerder bepaald door het verwachtingspatroon van ouders en leerkrachten dan door het dieet op zich."

Bron: Ned. Tijdschrift voor Geneeskunde 2003.


Elburg en Douwes 1991

In 1991 plaatsten Elburg en Douwes een artikel in het Ned. Tijdschrift voor Geneeskunde, waarin zij uiteen zetten wat naar hun idee de stand van zaken ten aanzien van voedsel overgevoeligheid (gedragsstoornissen) van dat moment was. Vraag is of er sinds die tijd al iets veranderd is.

Hierna volgt de conclusie van dit artikel.

"Het ontbreken van een concensus over de definitie van hyperactief gedrag bij kinderen maakt een uitspraak over de prevalentie onmogelijk en vormt een probleem bij het opstellen van selectiecriteria voor de patientengroep en de beoordeling van het effect van de behandeling. De diagnose "hyperactief gedrag door voedselintolerantie" kan alleen gesteld worden door middel van Double Blind Placebo Controlled Provocation onderzoek en de resultaten hiervan zijn, ook voor kinderen met een als gunstig beoordeelde reactie op een additievenvrije voeding, zelden bevestigd. Voorts werd bij geen van deze kinderen een complete verdwijning van het afwijkend gedrag geconstateerd en was er geen overeenstemming tussen de ouders en de andere beoordelaars over eventuele negatieve effecten van de provocatie op het gedrag.

De resultaten van 20 jaar onderzoek betreffende de hypothese dat hyperactieve kinderen in sterkere mate gevoelig zijn voor additieven in de voeding kunnen deze veronderstelling niet bevestigen. Dit feit maakt echter weinig indruk op sommige ouders die hebben waargenomen dat het gedrag van hun hyperactieve kind tijdens een additievenvrij dieet verbeterde. Een afwijzende houding van de arts drijft hen veelal in het alternatieve circuit. De vraag is wat de reguliere medicus te bieden heeft.

In de eerste plaats is het van belang om op grond van een door de dietist op te nemen voedingsanamnese vast te stellen of het ingestelde dieet toereikend is. Eventuele tekorten dienen aangevuld te worden. Aangezien voedselintolerantie en voedselallergie vaak gecombineerd voorkomen, moet er naar gestreeft worden om - onder andere door immunologisch onderzoek - voedselallergie op het spoor te komen. Is er sprake van voedselallergie dan kan, als een hierop gerichte behandeling geen verbetering van het gedrag te zien geeft, DBPCP met additieven worden verricht in een hiervoor uitgerust allergologisch centrum. Deze benadering kan ook toegepast worden wanneer er geen voedselallergie wordt geconstateerd en de ouders hun overtuiging handhaven.

Het is voor ouders aantrekkelijk voeding te kunnen beschouwen als oorzaak van het onhandelbaar gedrag van hun kind: hieraan valt iets te doen. Het doel van de hier voorgestelde benadering is het aan al kinderen dat en onrechte een belastende dieetmaatregel moet ondergaan, te beperken en de ouders ervan te overtuigen dat hun kind meer gebaat is bij psychologische of psychiatrisch begeleiding. Dat deze doelstelling niet steeds bereikt wordt, zal echter duidelijk zijn."


Prof. dr. Gunning voegt daar aan toe:

Amsterdam, maart 1991 Gepubliceerd op: 21-04-1991 (in print verschenen in week 16 1991)
Ned Tijdschr Geneeskd. 1991;135:725-6

Ingezonden:

"Voedseladditiva en hyperactief gedrag bij kinderen.
De collegae Van Elburg en Douwes pleiten ervoor slechts dan de diagnose ‘hyperactief gedrag door voedselintolerantie’ te stellen, wanneer deze samenhang door ‘double-blind placebo-controlled’ provocatieonderzoek (DBPCP) is bevestigd (1991;60-3). Liever dan ouders door een afwijzende houding richting ‘alternatief circuit’ te drijven, begeleiden zij het diagnostisch proces zelf om op die manier te voorkomen dat onnodige dieetregels worden gecontinueerd en om er zorg voor te dragen dat ouders hulp krijgen van een psycholoog of kinderpsychiater. Ik wil deze benadering van harte ondersteunen."
W.B. Gunning - Rotterdam, februari 1991

Bron: Bron: Ned. Tijdschrift voor Geneeskunde 1991

Echter in dat zelfde tijdschrift toch ook een andere uitspraak van dr. Gunning:
"Mijn indruk is evenwel, dat er wellicht toch hyperactieve kinderen zijn bij wie enigerlei vorm van voedselintolerantie een bijdrage kan leveren aan de gedragsproblemen."

Bron: Bron: Ned. Tijdschrift voor Geneeskunde 1991

Een conclusie die waarschijnlijk door veel artsen, die geen eigen ervaring met dit onderwerp hebben, gevolgt zal worden. Hoewel het artikel een duidelijke onderbouwing geeft van hun mening, lijkt het toch tamelijk tendentieus. Men mag immers niet voorbij gaan aan het feit dat ook al noemt men maar een percentage van 0,01 - 0,23 %, dit alleen al binnen Nederland, een aanzienlijke groep kinderen betreft. (Stelt men het aantal kinderen op slechts 2 % van de bevolking, dan levert dit nog altijd een groep op van 3200 - 73.600 patienten.)

Terecht wordt in de conclusie gesteld: "De vraag is wat de reguliere medicus te bieden heeft". De ervaring leert namelijk dat dat, vooral voor de wat "minder ernstige" gevallen, bedroevend weinig is. Het ergste wat je als moeder kan overkomen is dat je te horen krijgt dat je het als moeder "fout doet".
Als je patiënten uit het alternatieve circuit wilt houden, dan lijkt een eerste punt van aandacht het serieus nemen van die patiënt.

De uitspraak:"Het is voor ouders aantrekkelijk voeding te kunnen beschouwen als oorzaak van het onhandelbaar gedrag van hun kind: hieraan valt iets te doen". Moet door die ouders die veel resultaat bij een aangepaste voeding hebben, wel erg hard aankomen en voor ouders die het langs deze weg willen proberen, wel erg ontmoedigend werken. Immers, welke ouder kan er op tegen zoveel "medisch geweld".

Dit alles neemt niet weg dat het doel, om kinderen niet ten onrechte op dieet te zetten natuurlijk zeer zinvol is. Men mag niet onderschatten wat het betekent, zowel voor de verzorger als het kind zelf, om een of meer kinderen in een gezin op dieet te zetten. Het probleem blijft natuurlijk: wanneer wel en wanneer niet.

Ondertussen zijn we alweer twintig jaar verder. Of het standpunt van de Nederlandse medici gewijzigd is nog onduidelijk. Wel blijkt er duidelijk veel meer aandacht voor de "aandoening" ADHD. Nu heeft ten minste een deel van de probleemgevallen meer kans op een oplossing.